
Hoe ziet een interview eruit als je zelf de vragen mag bepalen. Op verzoek van Trouw hielden vier sporters een vraaggesprek met zichzelf. Rutger Smith (28) combineert als enige op topniveau kogelstoten en discuswerpen. Na een blessurejaar werkt hij verder aan zijn droom: twee Olympische titels.
Hoe zie ik mijn toekomst op de werpnummers nu ik er een jaar uit ben geweest?
Het ziet er weer positief uit. Toen ik vorig jaar met de wintertraining begon, kreeg ik last van mijn rug. Naarmate ik beter in vorm kwam en intensiever ging werpen, kwam er meer kracht op mijn rug. Met de pijn die dat gaf was niet te werken. Ik heb een stressfractuur, maar die blijkt de pijn niet te veroorzaken. Ik heb allerlei behandelingen en onderzoeken laten doen die niet afdoende bleken. Als ik bij de uitworp helemaal gedraaid stond, was de pijn te groot. Ik had altijd al het gevoel dat de pijn ergens anders vandaan kwam. Vorige week ontdekte een specialist dat er zenuwen tussen wervels klem zaten. Die zijn een beetje wegge- brand, zoals veel bij oudere mensen wordt gedaan.
Ik ben vrijwel pijnvrij, mag alles doen en ga rustig opbouwen. Als mijn trainingskamp in Zuid-Afrika goed gaat, wie weet stoot ik dan tijdens de NK indoor weer een kogel. Maar die rugproblemen krijg ik niet voor niets. Ik word een dagje ouder, het wordt tijd om slimmer te gaan trainen. Sinds drie weken gooi ik met discus volle bak. Technisch ziet het er goed uit, alsof er niets is veranderd. Misschien is het wel beter dan in het Olympisch jaar. Ik zie de afgelopen periode nu als een lange rustpauze waarin ik alle pijntjes heb laten herstellen. En het heeft me enorm gretig gemaakt.”
Welke sporters bewonder ik binnen of buiten mijn sport, en waarom?
Ik ben gefascineerd door mensen die totaal domineren. Michael Jordan wás basketbal, hij besliste wedstrijden wanneer hij wilde. Sinds hij is gestopt, gaat de Amerikaanse competitie bergafwaarts. Wat ik bij Jordan had, heb ik ook bij Lance Armstrong. Zeven keer de Tour de France winnen in dit tijdperk van specialisatie. Dan zijn er nog mensen die zeggen dat hij niet de grootste wielrenner ooit is.Respectloos. Machtig dat hij is teruggekomen. Aankomend jaar is hij 39, ik denk echt dat hij weer wint.
Roger Federer, Michael Schumacher. Die laatste had bij snelheden van 300 kilometer per uur een hartslag van 80. Hij moet toen intens gelukkig achter het stuur hebben gezeten. Usain Bolt is momenteel de enige grootheid uit mijn sport. Veel mensen vinden het niet leuk, hij wint toch. Maar het is de manier waarop hij dat doet. Wedstrijden die op het laatste moment worden beslist vind ik ook fantastisch. In 1988 domineerde Ulf Timmermann de Olympische finale kogelstoten. In de laatste ronde ging Randy Barnes over hem heen, terwijl Timmermann dacht te hebben gewonnen. Hij moest zijn pols- en kniezwachtels opnieuw aanbrengen. Op het moment van uitstoten stond hij al in triomf met de hand in de lucht: dat is hem. Als ik die beelden zie, ga ik weer helemaal uit mijn plaat.”
Wat drijft mij?
Er zijn nog onvervulde doelen. Ik ben trots op wat ik heb gehaald, maar ik wil meer. Het afgelopen jaar heb ik zitten bedenken wat ik het meeste miste. Dat zijn de momenten dat je in vorm bent en alles automatisch gaat. Dat je het stadion inloopt met het gevoel dat mensen naar je kijken en jij op het juiste moment op zijn best presteert.”Totale dominantie streef ik ook na. Mensen vinden dat misschien saai, maar daar koop ik niks voor. Ik zou graag willen domineren in zowel kogel als discus. Ik wil nog steeds twee keer goud winnen op Olympische Spelen, dat zou ook totale dominantie zijn. Er is niemand die beide onderdelen op het hoogste niveau combineert. Twee medailles is uniek. In Neder- land zal dat niet zoveel teweeg brengen, omdat we hier geen atletiekcultuur hebben. De Amerikanen waren lyrisch toen ik tijdens de WK in Osaka vierde werd met kogel en derde met discus. In had eerder met kogel al een WK-medaille gewonnen. Daarmee laat ik zien dat het in een tijd van specialisatie nog kan. Nu moet alles een keer samenvallen tijdens één toernooi.
Wat is de moeilijkheid van die combinatie?
Bij kogel moet je gretig en agressief zijn, met discus ontspannen. Maar het moeilijkste van de combinatie zit hem voor mij in de ring. De discusring is 2.50 meter doorsnee, de kogelring 213.5 centimeter. Met mijn lengte van 1.97 meter en mijn lange benen is de kogelring voor mij eigenlijk te klein.
Hoe weet ik wanneer ik in vorm ben en hoe raak ik in vorm?
Jaarlijks kan ik twee periodes van twee tot maximaal drie weken in topvorm zijn. Dan hoef ik niet na te denken, alles wat ik loslaat gaat automatisch ver. Dat geeft een geweldig gevoel van macht en je hebt rust omdat je weet dat het goed komt. Naar dat gevoel snak ik weer.
In de opbouw van het seizoen train je lang en hard en ben je elke dag vermoeid. Dan ga je minder doen. Het aantal trainingsworpen neemt af, het aantal series en herhalingen in krachttraining gaat omlaag. Maar de kwaliteit gaat omhoog. De gewichten worden zwaarder, de kwaliteit van de worpen is nagenoeg gelijk aan die in de wedstrijd. Daarbij is rust heel belangrijk, die wordt vaak onderschat. Met voldoende rust kom je vanzelf in vorm.
Wat zijn binnen mijn trainingen scherpe persoonlijke records?
Werpers zijn explosief en daarom goed in springen. Ooit ben ik in Amerika vanaf een afstand van 2.10 meter uit stand op een box van 1.10 meter hoog gesprongen. Dat is een van mijn indrukwekkendste trainingsrecords. Een ander is 3.52 meter verspringen uit stand. Dat was aan het begin van de vorige eeuw goed voor Olympisch goud.
Tijdens trainingen stoot en werp ik minder ver dan in wedstrijden, dertig tot vijftig centimeter met kogel en een meter of twee met discus. Vorig voorjaar stootte ik onverwacht 21.58 in training. Op grond daarvan verwacht ik over de 22 meter te gaan stoten. Maar ik was begonnen met het tapen van mijn pols, waardoor ik meer kracht kan zetten. Daardoor is er een fout in mijn techniek geslopen die dodelijk was.
Wat gebeurt er in de callroom?
Daar worden wedstrijden beslist. Je ziet wie wel of niet kan winnen. Ik niet alleen, dat ziet iedereen van elkaar. Dat heeft te maken met uitstraling en zelfvertrouwen. Soms wordt er aan psychologische oorlogsvoering gedaan, dat maakt het leuk. Misschien is bij mij meer sprake van pokeren. Alle werpers gaan instoten voordat ze naar de callroom gaan. Vooral de Amerikanen gaan dan volle bak om al een tik uit te delen. Ik doe er niet aan mee. Iedereen komt op zijn werpschoenen de callroom in, ik doe ze daar pas aan. Dat is mijn overwinningsgevoel. Als ze naar de reden vragen, zeg ik dat ik mijn krachten voor de wedstrijd bewaar.
Hoe kan atletiek voor het publiek aantrekkelijker worden gemaakt?
Je moet atletiek naar de mensen toebrengen. De race dit jaar met Usain Bolt in een winkelstraat in Birmingham is een goede opzet. Een dag voor de Golden League wordt in het centrum van Stockholm een wedstrijd kogelstoten gehouden. Het publiek staat dan dicht rond de werpzone. Ik heb ooit zoiets in Stadskanaal gedaan. Prachtig.
Organiseer wedstrijden op een plein in de grote stad. Leg een atletiekbaan neer, stort een paar kubieke meter zand met een kogelring. Laat het publiek tegen elkaar lopen of stoten en de besten met ons wereldtoppers meedoen. Dan zien ze echt hoe groot het verschil is, hoe ingewikkeld kogelstoten is. Vooral bij technische nummers krijgt het publiek in een stadion geen binding met de atleten. Je ziet ook niet wat ze tussen hun worpen door doen. De focus, het oppeppen. Mensen hebben geen idee van het gewicht van een kogel, of hoe ver een vertesprong daadwerkelijk is. Op Papendal staat de 8.90 metersprong van Bob Beamon op een muur afgebeeld. Je hoort de reacties van ongeoof van mensen die er langs lopen.